Leren spreken op de cello

Naast een vol programma met concerten bood het Cello Festival Zutphen het laatste weekend ook diverse workshops voor amateurs aan. Zo gaf Lucia Swarts, hoofdvakdocent moderne en barokcello aan het Haags conservatorium, zaterdagmiddag een workshop ‘Samenspelen en continuospel’.

Begeleiden van oude muziek is een vak apart, merk ik ook bij mijn studenten op het conservatorium”, legt Lucia bij aanvang uit. “Niet alle cellisten weten hoe ze hiermee om moeten gaan, en wat de belangrijke dingen hierbij zijn.”

Dat beamen de deelnemers (negen meiden en vrouwen) in het voorstelrondje. Veel van hen spelen in een (barok)orkest of een ensemble, maar hebben lang niet altijd een idee wat er van ze verwacht wordt. Moeten de noten breed? Lang? Kort?

De workshop begint met het gezamenlijk spelen van een langzame D-toonladder, noten van vier tellen, met de hele stok, zonder vibrato. “In oude muziek is de afstreek vaak zwaar (sterk), en de opstreek licht”, legt Lucia uit. De groep probeert dit uit: de héle opstreek licht, dat is even wennen. “De afstreek maak je zwaar met je pols, en in de opstreek haal je het gewicht van de pols.”

Het volgende is: twee korte streken per noot: pá-jum, pá-jum (de tweede lettergreep is zachter). “De opstreek heeft een snellere streek. Als je hem langzaam maakt, wordt ‘ie toch weer zwaar.” De hele groep doet lekker mee: “Ja, dat is het!” En inderdaad is er al gelijk een baroksound te horen.

Dan iedere noot vier keer in dubbel tempo. De derde zestiende noot is ook net wat zwaarder, niet alleen de eerste. “Wat we nodig hebben wanneer we spreken is onze tong”, benadrukt Lucia. “Zo is het ook met de noten in de oude muziek. Spréék ze, en zing niet te veel. Probeer rechts je vingers als tong te laten spreken. Als we de noten te zwaar spelen, gaan we zingen. Ik wil zo graag dat we leren spréken. Dus: zwaar, licht, zwaar, licht. Het is net als wanneer je danst: je tilt je voet dan op, die glijdt niet over de grond. Optillen die voet, die vierde tel!”

De canon van Gabrielli komt op de lessenaar. Domenico Gabrielli is belangrijk geweest voor cellisten, want hij was de eerste componist die muziek schreef voor cello solo. Ook gingen viool- en cellobouwers experimenteren met het bouwen van instrumenten voor sologebruik. Violon was de grote bas, violoncello was het ‘kleintje’, vandaar de naam die we nu nog steeds gebruiken. De violon had de stemming GDGC. “Moet je je voorstellen hoeveel resonantie uit dat instrument kwam!”

De groep speelt het stuk eenstemmig door. “Houd bij de lange noten de innerlijke puls vast”, is het advies. “En maak altijd ruimte tussen twee noten in. Als het interval tussen twee noten klein is, bijvoorbeeld een secunde, dan is die ruimte niet zo heel groot. Maar bij een groter interval, een terts bijvoorbeeld aan het eind van een toonladdertje, moeten de noten gesepareerd klinken.”

En laat de zestiende noten niet dichtslibben, reageert Lucia op wat ze hoort. “Maak ze heel licht met je vingers. Denk aan de hiërarchie in de maat: niet alleen de eerste tel, maar ook de derde tel is belangrijk in een vierdelige maat. De tweede en de vierde tel zijn dan te verwaarlozen. Wat ontstaat er dan? Juist: cadans. 99 procent van alle barokmuziek is dansmuziek.”

Als de groep de canon tweestemmig speelt, klinkt het meteen ontzettend leuk. “Pas op, niet te veel klank maken!” waarschuwt Lucia. “En denk aan de ruimte tussen de noten. Ik hoor nog zwaarte! Het zijn voetstappen. Denk eerder aan achtsten dan aan kwarten. Ruimte! Voetstap! Niet plakken!”

Dynamiek werd in de baroktijd wel gespeeld, legt Lucia uit, maar er staan vaak niet veel aanwijzingen van dynamiek bij. “Men kende de regels van de retoriek. Wanneer een loopje naar beneden gaat, wordt het zachter. Zing of spreek het maar eens, dan doe je dat automatisch.”

Een deelnemer vraagt naar het gebruik van vibrato. “Er is heel lang gedacht dat non-vibrato de norm was in oude muziek. Maar wanneer je spreekt, zit er ook kleuring in je stem. Vibrato moet je zien als versiering, niet als iets wat bij de toon hoort. Pas het toe zoals je wilt, doseer het naar keuze. Laat het niet opvallen, het mag niet ten koste gaan van de melodie. En doe nooit twee keer hetzelfde, speel het steeds weer anders.”

Het volgende stuk is een menuet van Cervetto. “De derde tel in een menuet kijkt terúg, en gaat dus niet náár de eerste tel. Hij is uiterst licht. En de toonsoort is heel belangrijk in oude muziek. D groot betekent: scherp, eigenzinnig, feestelijk, en wordt vaak gebruikt als laatste deel. F groot is vriendelijk.”

De workshop wordt afgesloten met een concertje in de schitterende binnenplaats van de Oude Bornhof, op het gras onder de boom. “Het was een leuke groep”, vertelt Lucia na afloop. “Het is bijzonder om te zien dat zo’n groep amateurs toch heel graag een specialisme wil leren. Dat zie ik op het conservatorium ook. Meer dan de helft van de studenten wil oude muziek leren. Musici moeten tegenwoordig breed geschoold zijn. Het pad van de musicus ligt niet voor je klaar, je moet je eigen weg vinden. Daar komt een specialisatie goed bij van pas. En verrassend genoeg zie je die behoefte dus ook bij amateurs. Dan weten ze beter wat ze kunnen doen als er bijvoorbeeld een Cantate van Bach op de lessenaar van hun orkest staat.”

Ook mooi vindt Lucia het om te zien dat mensen zo kunnen genieten als ze iets geconcentreerd doen. “Alles wat je doet met opperste concentratie is de moeite waard. En je kunt nu eenmaal niet een instrument spelen zonder je te concentreren. Dan ontstaat er iets moois, dat geldt voor ieder aspect in het leven. Als ik onrustig ben, ga ik studeren. Concentratie en verdieping zijn altijd goed.”

En samenspelen ook. “Deze groep mensen, allemaal vreemden voor elkaar, gingen zo mooi samenspelen. Ze praten dezelfde taal, delen dezelfde passie. Dat is altijd mooi om te zien.”

Geschreven door Cora van den Berg

Ga naar actuele artikelen